Wat vindt de BMK van het wetsvoorstel om OPC’s te formaliseren?

Op 7 december presenteerde Staatssecretaris Van Ark in haar brief aan de Tweede Kamer haar voornemen om een uitzonderingspositie voor OPC’s in de Wet Kinderopvang te creëren door OPC’s onder voorwaarden vrij te stellen van twee belangrijke IKK kwaliteitseisen; het vaste gezichtencriterium en de opleidingseis voor pedagogisch medewerkers. Hiermee wordt het bestaan van OPC’s geformaliseerd en komt er een einde aan de huidige gedoogsituatie, waardoor ouders die hun kinderen op een OPC (laten) opvangen wel in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag. De BMK is van mening dat het wetsvoorstel OPC nog veel fundamentele vragen oproept.

Achtergrond en inhoud wetsvoorstel

In het Regeerakkoord 2017-2020 staat dat de Ouderparticipatiecrèches (OPC’s) hun bestaansrecht dienen te behouden. Om de uitzonderingspositie te kunnen realiseren, is een wijziging van de Wet kinderopvang (Wko) noodzakelijk om daarin een bevoegdheid op te nemen om bij algemene maatregel van bestuur voor alle OPC’s, zowel de huidige als eventuele nieuw te starten, vrijstelling te verlenen van de twee bovengenoemde eisen en om aan die vrijstelling voorwaarden te verbinden. Alle overige wet- en regelgeving en kwaliteitseisen blijven wel van toepassing op OPC’s en hierop kan door GGD’en en gemeenten worden toegezien en gehandhaafd.

Zowel in haar brief, als vandaag tijdens het Algemeen Overleg met de Tweede Kamercommissie SZW, geeft de Staatssecretaris aan dat:

  • Nieuwe OPC’s alleen toegelaten worden wanneer ouders hiertoe zelf het initiatief nemen en intrinsiek gemotiveerd zijn om de benodigde kwaliteit te leveren.
  • Er sprake moet zijn van aantoonbare kwaliteit en continuïteit. Hiervoor geldt een aanloopfase van 2 jaar, alvorens een OPC in aanmerking komt voor kinderopvangtoeslag.
  • Het wetsvoorstel er niet toe mag leiden dat commerciële partijen een OPC gaan starten om snel financieel voordeel te behalen of doelbewust kwaliteitseisen te omzeilen.
  • OPC’s eens in de drie jaar worden onderzocht om te oordelen of de continuïteit en pedagogische kwaliteit van de zorg die door OPC’s wordt geleverd, voldoende zijn gewaarborgd.
  • Gemeenten geen voorschoolse educatie via de OPC’s kunnen aanbieden.

Kleine aantallen: 7 OPC’s, 120 kinderen

In Nederland zijn momenteel zeven OPC’s waar ongeveer 120 kinderen dagelijks worden opgevangen. De opvang in de OPC’s wordt door de ouders van de kinderen zelf verzorgd, waarbij zij onbezoldigd dagdelen opvang draaien. OPC’s worden door ouders gerund die zelf als pedagogisch medewerker fungeren. OPC’s bestaan al ruim 40 jaar in Nederland en het aantal is al die jaren vrij stabiel geweest. Het omzetten van huidig gedoogbeleid naar een formele wetswijziging, treft dus een gering deel van het totale kinderopvangaanbod.

De BMK plaats kanttekeningen; verschil in kwaliteitseisen; hoe kan dat?

Op verzoek van SZW is in 2016 en 2017 de pedagogische kwaliteit van de zeven bestaande OPC’s gemeten en heeft het Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek (NCKO) geconcludeerd dat de pedagogische kwaliteit van die OPC’s voldoende tot goed is (Fukkink et all., 2017)*.

Er valt ons echter een aantal zaken op in dit onderzoek.

  • Zo wordt er weliswaar geconstateerd dat de ouders van de OPC’s gemiddeld maar heel weinig uur per week  ‘werken’ op de groep nl  5,7 uur, maar hier worden vervolgens geen conclusies aan verbonden voor wat betreft de pedagogische kwaliteit. De effecten op langere termijn van deze instabiliteit (hechting) worden niet in het kwaliteitsoordeel meegenomen. In de Wet IKK is dit nu juist een van de pijlers. Hoe kan de Staatssecretaris dit met elkaar rijmen?
  • Daarnaast zijn er kritische vragen te stellen over hoe de ouders bij OPC’s daadwerkelijk gaan voldoen aan de andere IKK kwaliteitseisen, zoals de verplichte babyscholing, de inzet van een pedagogisch beleidsmedewerker/-coach, het hebben van een opleidingsplan, het structureel volgen van de ontwikkeling van de kinderen inclusief het overdragen van deze informatie aan de basisschool. Dit alles veronderstelt namelijk professionele kennis en het investeren van extra tijd door ouders voor de kinderen van de andere ouders. En wordt de ene ouder mentor van het kind van de andere ouder?

Kortom, hoe kan het dat er verschillende kwaliteitseisen worden gesteld aan de reguliere kinderopvang enerzijds en de ouderparticipatiecrèches anderzijds? De Wet IKK bestaat ten slotte uit vier thema’s die in samenhang de totale kwaliteit van de kinderopvang vormen. Daar kun je niet zomaar een of meerdere items uit weghalen.

Tot slot zien wij wel degelijk een risico op formalisering van informele opvang en zelfs mogelijk misbruik van informele opvang wanneer het als een nieuw ‘verdienmodel’ gezien gaat worden. Hoe gaat dit gemonitord en voorkomen worden?

Het beoogde wetsvoorstel wordt medio 2019 bij de Tweede Kamer ingediend. Daaraan voorafgaand zal het ter internetconsultatie worden aangeboden.

* R.G. Fukkink, R.G., Sluiter, R.M.V., Gevers Deynoot-Schaub, M.J.J.M. & Helmerhorst, K.O.W. (2017). De pedagogische kwaliteit van de ouderparticipatiecrèche in 2016; Draaiers en hun relaties met kinderen in beeld.

 

 

Deel dit nieuwsbericht