Het vaste gezichten criterium, hoe zit het ook alweer?

2018-06-14T11:27:27+00:00 07-02-2018|

De regelgeving voortkomend uit het IKK akkoord is in januari 2018 in werking getreden. Daar is, zeker rondom het ‘vaste gezichten criterium’, nogal wat aan voorafgegaan. Wij zetten het nog even voor je op een rij.

Artikel 9 van het Besluit stelt eisen aan het zogenoemde vaste gezicht op een groep: twee vaste beroepskrachten voor nuljarigen (of drie als de groepsgrootte daartoe leidt) en drie vaste beroepskrachten voor oudere kinderen.

Stabiliteit en emotionele veiligheid

Twee onderdelen van deze bepalingen vragen om een nadere uitleg: het criterium ‘werkzaam op de dag’ en de afwezigheid van de vaste gezichten in geval van ziekte, vakantie en calamiteiten. GGD GHOR stelt in het advies aan de GGD inspecteurs over het eerste onderdeel: de toezichthouder ziet er op toe of de vaste beroepskracht werkzaam is op de groep (ingeroosterd is op die dag) en gedurende een substantieel deel van de dag op de groep van het kind werkt als het kind feitelijk aanwezig is. Het beleid van de kinderopvangorganisatie is er tevens op gericht stabiliteit en emotionele veiligheid van het kind optimaal te waarborgen, ook op momenten van de dag dat de vaste beroepskracht niet aanwezig is. Die uitleg is helder.

Meer discussie is er over de afwezigheid van het vaste gezicht, in geval van een calamiteit, verlof of ziekte. Naar onze stellige indruk was die discussie met de uitleg van staatssecretaris Van Ark in grote lijnen beslecht.

Toezicht

Net voor de kerstvakantie gaf zij immers dit aan, in antwoord op vragen van D66: “Met het wijzigen van de vaste gezichteneis is alleen de norm voor baby’s veranderd: van drie naar twee vaste gezichten. In de toelichting bij de AMvB die tot 1 januari 2018 geldt, is opgenomen dat de toezichthouder met een aantal situaties van overmacht rekening kan houden. In de nieuwe AMvB, die op 1 januari 2018 ingaat, is deze opsomming niet opgenomen in de toelichting. Omdat de opsomming de suggestie van volledigheid wekt, terwijl er ook andere situaties denkbaar zijn waarin sprake is van overmacht. Met het laten vervallen van deze passage in de toelichting van de AMvB is nooit beoogd om overmacht situaties uit te sluiten bij het oordeel van de toezichthouder. De staatssecretaris gaat in overleg met de GGD GHOR om hier helderheid over te scheppen.”

Vaste gezichten

Dit betekende, naar ons idee, dat de kinderopvangorganisatie zorgt voor twee (of drie) vaste gezichten en afwijkingen, in geval van ziekte, vakantie en verlof (en mogelijk om andere redenen, zoals scholing) zo goed mogelijk oplost. Bij die oplossingen probeert de ondernemer uiteraard zoveel mogelijk stabiliteit voor kinderen te realiseren. Juist daarover moet het gesprek tussen toezichthouder en ondernemer kunnen gaan. GGD GHOR lijkt (nog) niet overtuigd van de uitleg: formeel gezien moet de inspecteur een onvoldoende geven, is hun uitleg. Het gesprek tussen GGD GHOR en SZW moet hier uitsluitsel over geven. Dat houden we in de gaten!

Praktijkervaring

Het is van groot belang dat de ondernemer onderbouwt hoe hij/zij verantwoorde kinderopvang biedt, en hoe hij/zij bij afwezigheid van het vaste gezicht zoveel mogelijk stabiliteit biedt, bijvoorbeeld door een invaller in te zetten die goed bekend is bij de kinderen of anderszins. GGD GHOR adviseert ondernemers, terecht: ‘leg uit en ga in gesprek’. Mocht de toezichthouder hier toch een bevinding uit voort laten komen, ondanks de onderbouwing, zorg er dan voor dat je in de zienswijze van de houder uitlegt hoe je de stabiliteit hebt bevorderd, ook in geval van ziekte, scholing, verlof of calamiteiten. De BMK hoort graag jullie praktijkervaringen, het IKK meldpunt (zie BMK site) staat voor jullie open. Signalen nemen we mee naar SZW voor de (technische) evaluatie.

Deel dit nieuwsbericht